De Vakbond van Betekenis wil bijdragen aan het versterken van democratisering van onze samenleving. Dat is nodig omdat beslissingen die het geheel van de samenleving betreffen steeds meer worden bepaald door een kleine groep mensen met veel geld. Daarnaast zijn een aantal autocratisch geleide organisaties in omvang zodanig groot geworden dat ze een politieke macht vertegenwoordigen die zich kan meten aan een op zichzelf staand klein land. De invloed in Nederland is voor zo’n groot deel verschoven naar een kleine groep ‘bepalers’, die worden gelegitimeerd door het ideaal van een liberale, vrije markt, dat de vraag is in hoeverre we nog kunnen spreken van een volledige democratie. Daarom spreken we bij De Vakbond voor Betekenis liever over een kapitalistische, meritocratische samenleving met democratische kenmerken.
Hoe de economie steeds minder van ons allemaal is geworden
De moderne democratie in het Westen gaat hand in hand met het ideaal van een vrije markt, waarin het uitgangspunt is dat als iedereen vrij is en kan opkomen voor de eigen behoeften, dit leidt tot een samenleving die voor iedereen goed is. Op dit model is veel aan te merken. Een voorbeeld hiervan is het probleem dat de werkelijke kosten van onze handel buiten beeld blijven, zoals de mate waarin anderen uitgebuit worden en de schade die aan de natuur wordt toegebracht. Laten we voor nu echter dit model als vertrekpunt nemen.
Het klassieke model van de economie neemt als vertrekpunt de wisselwerking tussen huishoudens en organisaties. Huishouden kopen goederen en diensten die bijdragen aan een goed en gelukkig bestaan. De comfortabele huizen waarin we wonen, het brood van de bakker, zorg, boeken en apparaten die het huishouden verlichten, vermaak brengen en zorgen dat we meer tijd voor verbinding met elkaar overhouden. De behoeften van huishoudens sturen de productie van organisaties, die daardoor winst kunnen maken en salarissen betalen.

Op het moment dat we met elkaar in organisaties manieren vinden om effectiever te werken, mede door technologie en innovatie, dan kan de economie groeien. Organisaties kunnen meer leveren en de huishoudens kunnen daardoor meer aanschaffen en de levensstandaard verhogen. Vanuit dit ideaal is jarenlang het Bruto Nationaal Product het belangrijkste meetinstrument geweest om te bepalen hoe goed het gaat met een land. Een betere economie betekende namelijk dat alle huishoudens er ook op vooruit konden gaan.
Toen de winst van de economie steeds minder naar de makers en verzorgers ging
Tot de jaren ’60 van de vorige eeuw bestond een balans tussen huishoudens en organisaties in de economische groei. Iedereen profiteerde van een groeiende economie. De cirkel van de economie loopt min of meer rond. De economie groeit als de cirkel sneller draait: dus als mensen meer kopen en organisaties meer produceren. In de jaren daarna is de economie steeds verder gegroeid, maar is de compensatie van arbeid niet mee gestegen. Van Rijn en van der Burgt (2021) laten dat in hun boek ‘Explore the big picture’ zien in de volgende grafiek:

De cirkel van de economie werd dus doorbroken en een selecte groep mensen werd steeds rijker. Om de economie sneller te laten draaien moeten mensen meer kopen en daar zijn nieuwe verlangens voor nodig, ook naar producten en diensten die weinig tot helemaal niets bijdragen aan geluk of welzijn. Omdat winst het belangrijkste doel is, raakt de discussie over wat waardevol is ondergeschikt. Op deze manier ontstaat een bullshit-economie.
De bullshit economie is samen te vatten als de gehele reeks van uitvindingen in de economie die niets bijdragen aan het groter goed. Het enige doel van deze uitvindingen is om mensen meer te laten consumeren, zodat de winst van de organisatie kan stijgen. Eén van de belangrijkste uitvindingen van de bullshit-economie zijn wegwerpartikelen en producten met een korte levenscyclus. Een ondersteunende belangrijke uitvinding in de bullshit-economie daarbij is marketing om mensen te overtuigen te blijven kopen en weggooien.
Daarnaast is een van de kwalijkste uitvindingen en voorbeelden van de bullshit-economie de internationalisering van productie. Door verwarrende ketens van productie wereldwijd is het mogelijk om mensen in andere landen onder mensonterende omstandigheden producten te goedkoop te laten maken, met een enorme vervuilende impact op de natuur. Omdat de ketens onoverzichtelijk worden gehouden kan de verantwoordelijkheid afgeschoven worden.
Neem je de ontwikkelingen in de groei van de economie en het ontstaan van de bullshit-economie mee, dan ziet het klassieke model van een draaiende economie er anders uit. De economie gaat steeds minder over de makers (de huizenbouwers, bakkers, techneuten) en verzorgers (verplegers, docenten, politie) en steeds meer over de bullshit-economie.

In de economie gaat het daarmee steeds minder over beroepen, producten en diensten die er toe doen. De groei van de economie komt niet evenredig ten goede van de huishoudens en er is een categorie mensen ontstaan die steeds rijker is geworden zonder nog iets te hoeven doen dat een bijdrage levert aan het proces: aandeelhouders.
Bij de uitbraak van de corona epidemie werd duidelijk wat de essentiële beroepen zijn in onze samenleving. Het heeft daarmee ook duidelijk gemaakt hoeveel banen er niet toe doen, maar wel goed betaald worden. De socioloog David Greaber deed de observatie dat in onze samenleving een groot aandeel onzin-beroepen, “bullshit-jobs”, is ontstaan. Toen zijn artikel en later zijn boek uitkwam heeft dit tot veel herkenning geleid.
De bullshit-economie gaat echter nog steeds over een wisselwerking tussen huishoudens (wij allemaal dus) en wat er geleverd wordt door organisaties. Een ander deel van de economie dat steeds groter wordt is de financiële markt en die heeft eigenlijk nog weinig te maken met het klassieke model. Hier worden producten, diensten en modellen ontwikkeld die veel geld onttrekken aan de overige economie en niets wezenlijk bijdragen aan behoeften van ons allemaal.
De economie buiten de economie
De basis van het economische ideaal is uitwisseling tussen huishoudens en organisaties. Als je op de markt komt en een stuk kaas koopt dan is daar een reeks aan economische handelingen aan vooraf gegaan. De boer heeft de kaas geproduceerd en heeft dat verkocht aan een handelaar die dat vervolgens op de markt verkoopt op zijn kraam. Eventueel zit daar nog een groothandel tussen. Als koper op de markt betaal je dus voor de productie van de kaas en voor handelaar die de kaas bij jou om de hoek brengt. Dat is de reële economie. Je koopt iets van een persoon die je kunt ontmoeten, ook al ontmoet je niet altijd de maker van het product. Door deze organisatie van de economie wordt productie en distributie geregeld. Natuurlijk is de economie complexer dat dit, maar laten we ook ditmaal uitgaan van een versimpeld model om het verschil duidelijk te maken met een financiële economie die losraakt van de echte wereld.
Stel dat je op de markt erachter komt dat je je portemonnee bent vergeten en je vraagt een vriend met wie je samen over de markt loopt om het voor te schieten. Je gaat op dat moment een lening aan met die vriend. In basis is dit de financiële markt die in contact staat met de reële economie. Het maakt het mogelijk dat we geld kunnen sparen en kunnen lenen. Het maakt het ook mogelijk dat we grotere bedragen bij elkaar kunnen brengen om bijvoorbeeld een huis te kopen, dat we later terug betalen. Een organisatie kan op die manier middelen aanschaffen zodat ze dingen kunnen produceren die winst opleveren.
Stel nu dat jouw vriend van wie je geld leent deze kleine schuld doorverkoopt waardoor je nu iemand anders moet betalen. Degene aan wie je nu moet terugbetalen staat al een stap verder van het directe proces. De financiële markt handelt in schulden en marktafspraken, zonder dat ze zelf nog een relatie hebben met het proces.
Godelieve Spaas legde dat in haar voorstelling ‘Utopia voor beginners’ (2023) helder uit aan de van prijsafspraken. Stel dat een boer een afspraak maakt met een marktkoopman voordat hij gaat zaaien om na de oogst een bepaalde hoeveelheid aardappels te verkopen tegen een specifieke prijs. De boer weet dat hij straks zijn oogst goed kan verkopen en de marktkoopman is verzekerd van een product. Beide hebben dus baat bij een dergelijke afspraak. Stel nu dat een slimme econoom denkt dat door komende droogte een deel van de oogst verloren gaat en daarom de prijs van aardappels omhoog zal gaan. De prijsafspraak die de marktkoopman heeft gemaakt is dan gunstig. In plaats van te wachten tot de oogst en de aardappels goed te verkopen besluit hij de prijsafspraak aan de slimme econoom te verkopen, bijvoorbeeld omdat hij eerder geld nodig heeft. De slimme econoom heeft nu een papier in handen dat geld waard is, zonder dat hij iets te maken wil hebben met aardappels en de verkoop daarvan.
Gemiddeld gezien worden prijsafspraken zoals deze 90 keer verhandeld voordat de koop verzegeld wordt. Dat heeft niets meer te maken met de handel in aardappels, maar in speculeren op marktprijzen. Dit is in essentie waar de financiële markt uit bestaat: het handelen in en speculeren op prijsafspraken en schulden. Interessant is daarbij dat we afspraken hebben gemaakt dat banken het geld dat ze hebben ontvangen van spaarders meerdere keren tegelijk mogen uitlenen. Zo creëren ze geld dat eigenlijk niet bestaat en waar zij winst uit halen door de rente die ze vragen over de lening.
De financiële economie leeft dus een eigen bestaan en dit onderdeel van de economie is steeds groter geworden. Het kan dus zijn dat de reële economie slecht gaat, zoals nu door inflatie huishoudens en organisaties erop achteruit gaan, maar dat de economie als geheel groeit omdat de financiële economie blijft groeien. De hoeveelheid geld die omgaat in de financiële markt is … ten opzichte van … in de reële economie. Als we dan terugkeren naar het klassieke model van de economie blijft daar steeds minder van over.

Zelfs het versimpelde model wordt complex door toevoeging van een financiële markt die op zichzelf bestaat. Op het moment dat het model zo wordt uitgewerkt wordt duidelijk dat de financiële markten nog weinig te maken met huishoudens en de behoeften om een goed en gelukkig bestaan te kunnen leiden. De invloed van huishouden om productie op de financiële markt te sturen is nihil. Zo doen werkenden (betaald en onbetaald) steeds minder mee in de economie en heeft een huishouden minder te zeggen over wat er in de economie gebeurt.
Wie betaalt bepaalt; of waarom het een probleem is dat de economie minder van ons allemaal is geworden
We begonnen deze pagina met het statement dat de Westerse moderne democratie hand in hand gaat met de economie. Het ideaal van de democratie is dat iedereen kan meebepalen over wat we zien als waar en van waarde. Als het echter aankomt op organisaties dan lijken we comfortabel te zijn dat het autocratisch wordt geleidt. In organisaties geldt dat wie betaalt bepaalt. Dat is de ondernemer en dat zijn de aandeelhouders.
Door de groei van economie is dus een groep mensen ontstaan die steeds rijker worden zonder iets toe te voegen aan de reële economie. Daarnaast zijn er organisaties die zo groot zijn geworden dat ze de invloed hebben van een klein land, maar dan zonder de democratische controle. Daarbovenop zijn er dus enorme organisaties die alleen maar bestaan in de realiteit van financiële markten. Zij vertegenwoordigen enorme hoeveelheden geld zonder dat ze nog maar iets te maken hebben met de economie van makers en verzorgers. Ze staan daarmee deels buiten de samenleving, maar hebben er wel een enorme invloed op.
Wie betaalt bepaalt, blijkt uit een onderzoek van Gilens en Page (2014). Zij hebben onderzocht in hoeverre inkomen invloed heeft op de uitkomst van politiek beleid. Uit hun onderzoek blijkt dat beleid niet wordt bepaald door mensen met een gemiddeld inkomen. Het maakt weinig uit of 10 procent of 100 procent wil dat een bepaalde politieke beslissing wordt gemaakt, de kans dat de beslissing wordt overgenomen door de politiek blijft nagenoeg gelijk. In een grafiek ziet dat er als volgt uit:

Vergelijk dat met wat er gebeurt naar mate meer mensen uit het 20 procent rijkste deel van de samenleving de voorkeur hebben voor een politieke beslissing. Of de voorkeur van lobbygroepen die grote organisaties vertegenwoordigen. Dan is de kans veel groter dat een beslissing wel wordt overgenomen.

Gilens en Page moesten zich met de data beperken tot de 20 procent rijksten, maar beargumenteren dat de invloed van de financiële elite naar verhouding nog groter zal zijn. Het is moeilijk om politieke invloed precies meetbaar te maken, maar het onderzoek van Gilens en Page sluit aan bij een nuchtere kijk op de realiteit: mensen met hoge inkomens en grote inkomens hebben meer middelen om invloed uit te oefenen. Dat gaat niet alleen om geld, maar ook om netwerk en aanzien, zodat ze aan de juiste tafels komen te zitten om mee te kunnen beslissen over politiek.
Onze economie, onze democratie, onze samenleving
Loes Damhof, docent Futures literacy, vraagt studenten zich te verbeelden hoe ze zouden wakker worden in 2050 als de wereld verder gaat zoals het nu doet. Ze stelt ze vervolgens de vraag in welke wereld in 2050 ze willen wakker worden in een ideale situatie. Het verschil tussen die antwoorden is groot. De vervelende vervolgvraag is aan welke toekomst je meewerkt op dit moment.
De groei van het huidige economische systeem verdringt steeds meer de individuele vrije inbreng op beslissingen die de gezamenlijke toekomst van de samenleving aangaan. De economie gaat steeds minder over huishoudens en over ondernemers die verbonden zijn aan wat ze leveren. De economie gaat ten onrechte steeds meer over cijfers, complexe financiële producten en systemen die zich buiten het begripsvermogen en de controle van de democratie bewegen. Als wij allemaal (minus 1 procent heel rijken) minder meedoen in de economie, dan doen we minder mee in de democratie. Dat betekent dat onze samenleving wordt bepaald door financiële belangen die alleen maar bestaan in de eigen financiële realiteit.
Tijd om de economie, de democratie en de samenleving weer van ons te maken. Opkomen voor democratische belangen kan door protest en door vereniging. Het is goed om te protesteren tegen wat we niet willen, tegen onrecht. Het is echter ook belangrijk om ons te verenigen en invloed te gebruiken voor wat we wel willen. Gelukkig zijn er steeds meer protesten en initiatieven zoals burgerraden (lees daar hier meer over), om meer invloed te krijgen. Met de Vakbond voor Betekenis willen we bijdragen aan sturen op een gezamenlijke toekomst die we willen door als werkenden de handen ineen te slaan.
Vakbonden zijn beslissend geweest aan het begin van de industrialisatie om te zorgen dat werkenden niet uitgebuit werden. De bescherming van belangen van werken zoals een eerlijk salaris en goede arbeidsvoorwaarden heeft sindsdien voorop gestaan. Hoewel vakbonden aandacht hebben voor klimaat (bijvoorbeeld FNV), wordt het nog niet in de praktijk gezien dat het een basis arbeidsvoorwaarde is om eerlijk kunnen werken zonder schade aan anderen en de natuur. De vakbond voor betekenis wil hier verenigd actie op te nemen.